
De inkomstenbelastingwet voorziet klassiek gezien in drie soorten administratieve sancties :
In het kader van het regeringsakkoord ingediend in de Kamer op 4 februari 2025, wilde Arizona een « recht op vergissing wanneer de belastingplichtige te goeder trouw is » invoeren, naar het voorbeeld van het « recht op vergissing » dat sinds 2018 in Frankrijk geldt. Er werd echter geen duidelijkheid gegeven over het kader waarin dit « recht op vergissing » zou worden geïmplementeerd.
Het programmawetvoorstel verschaft hierover een aantal verduidelijkingen betreffende belastingvermeerderingen op de inkomstenbelasting (uitsluitend).
Het huidige artikel 444 van het WIB92 bepaalt dat bij het ontbreken van aangifte, het te laat indienen daarvan, of bij onvolledige of onjuiste aangifte voor bedragen die meer dan 2.500,00 EUR bedragen, de verschuldigde belasting wordt verhoogd met een belastingvermeerdering vastgesteld op basis van de aard en de ernst van de inbreuk, volgens een schaal waarvan de gradaties worden bepaald door de Koning en variëren van 10% tot 200% van de verschuldigde belasting op het gedeelte van de inkomsten dat niet of te laat werd aangegeven. Het wordt begrepen dat bij het uitblijven van een nieuwe inbreuk binnen een termijn van 4 jaar, de tellers worden teruggezet op nul voor de berekening van de schaal van vermeerderingen.
Ongeacht de fout wordt deze vermeerdering toegepast zodra het niet aangegeven bedrag hoger is dan 2.500,00 EUR. De huidige tekst bepaalt echter in zijn derde lid dat « bij afwezigheid van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10% vermeerdering ». In de praktijk kunnen de economische gevolgen van een eenvoudige fout snel desastreus zijn. Dit temeer daar het afzien van de 10%-vermeerdering slechts een mogelijkheid is (en dus geen recht) die wordt overgelaten aan de beoordelingsvrijheid van de controleambtenaar.
De programmawet richt zich alleen op het probleem van belastingvermeerderingen in het kader van de inkomstenbelasting; er is dan ook geen sprake van een algemeen recht op vergissing in fiscale materie.
Eens de programmawet van kracht is, wordt het vermelde derde lid als volgt geformuleerd: « Er wordt afgezien van de belastingvermeerdering voor de eerste overtreding gepleegd te goeder trouw. De goede trouw wordt, tenzij het tegendeel bewezen wordt, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding beging, behalve in geval van toepassing van artikel 351».
Deze herformulering betekent in wezen dat :
Op dit punt blijft de vraag wat precies onder « goede trouw » wordt verstaan. De parlementaire werkzaamheden vergelijken dit begrip met dat van artikel 1.9 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt:
« Goede trouw wordt vermoed.
Iemand handelt te kwader trouw wanneer hij kennis heeft van de feiten of de rechtshandeling waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, of wanneer hij daarvan had moeten weten, rekening houdend met de concrete omstandigheden. »
Bij gebrek aan een precieze definitie zal het aan de hoven en rechtbanken zijn om vast te stellen wat onder « goede trouw » moet worden verstaan. Hoe dan ook geeft de auteur van de parlementaire werkzaamheden ook enkele aanwijzingen :
In de praktijk is deze omkering van de bewijslast ten gunste van de belastingplichtige een welkome aanvulling en zou zij in tal van gevallen een zekere tolerantie moeten herstellen ten aanzien van de complexiteit van de fiscale regels in België. In het bijzonder voor de vennootschapsbelasting zal deze wijziging een gunstige impact hebben op de belastinggrondslag van vennootschappen die het voorwerp zijn van een correctieprocedure of een ambtshalve aanslag. Immers, sinds het aanslagjaar 2019, wordt wanneer een belastingvermeerdering van minstens 10% wordt toegepast, de vennootschap de toepassing van een reeks aftrekken ontzegd, waaronder haar eerdere verliezen, wat haar belastinggrondslag verhoogt (art. 206/3, §1er, WIB92). Hoewel deze maatregel momenteel het voorwerp is van verschillende beroepen (tot nu toe succesvol ingesteld) bij het Grondwettelijk Hof (Zie onder meer arresten nr. 129/2024 van 21 november 2024 en nr. 91/2025 van 19 juni 2025), moet worden vastgesteld dat de wijziging van de wettelijke basis die dergelijke vermeerderingen mogelijk maakt, de problematiek bij een eerste overtreding al deels oplost.
Men betreurt echter dat dit « recht op vergissing » op dit moment nog niet is voorzien voor vaste boetes (zoals bijvoorbeeld de boetes van 6.500,00 EUR voor het niet indienen van een aangifte van een juridische constructie) of btw-boetes. De rechtspraak is echter zeer nuttig op dit vlak gezien de talrijke gunstige beslissingen die rekening houden met (i) zowel de complexiteit van de caymanbelasting als (ii) de daadwerkelijke impact van een dergelijke fout.

De Tetracademy is het juridische kwartaalblad van het Brusselse zakenkantoor Tetra Law. Dit artikel is daaruit overgenomen. Voor meer informatie of om elke nieuwe uitgave te ontvangen, aarzel niet om de Tetracademy te volgen door een e-mail te sturen naar tetracom@tetralaw.com ».
Afin de faciliter l’accès au contenu de cet article, une version traduite a été mise à disposition au moyen d’un outil d’intelligence artificielle. La Fondation décline toute responsabilité quant à la qualité, à l’exactitude et à l’exhaustivité de cette traduction automatique, notamment en ce qui concerne l’emploi de terminologies techniques, juridiques ou fiscales spécifiques.
L'article original a été rédigé en Français. En cas de divergence d’interprétation, seule la version originale fait foi.